Aanloop naar het feest der feesten (4)

12 maart 2018 - Castricum, Nederland

Hoe vaak heb ik het Slangenweggetje naar onze velden in Kerkelanden getraverseerd, vraag ik mij af. Door dag en dauw en bij nacht en ontij moet dat met fiets, brommer en ten slotte auto talloze keren zijn geweest. Kwam ik na een wedstrijd op zaterdagmiddag langs het in een kuil verdiepte veld van Altius, op terugweg na winst, soms verlies, stond het daar in de late namiddag zwart van de toeschouwers. Veel kerkgangers, zoals onze buren van de melkwinkel om de hoek, in de Bosboom Toussaint. Als zij ons maar even met een bal bijeen zagen, predikten ze mij, mijn vriendjes en hun eigen kroost onmiddellijk voor hun etalage vandaan. Stel je voor dat kostbare winkelruit en glazen melkflessen zouden knappen. Alleen al voor krachttermen van die kwajongens was de schrijversbuurt té netjes. Wij hebben daar veel onder geleden. Tot Multatuli aan toe.

Voetballen, verdwijnen, voetballen, verdwijnen. Ook op de Vosmaerlaan moesten de schutters weg. Dan maar naar de grasvelden aan Schuttersweg, naar Korversbos of Spanderswoud. Uit mijn middelbare schooltijd - gemeentelijke HBS, hoek Jonkerweg - staat mij juffrouw Hoek nog helder voor de geest. Lerares Nederlands, hennetje de voorste wanneer het op taal aan kwam. Wij woonden tussen Nicolaas Beets, Bilderdijk, Busken Huet, Da Costa, Ten Kate, Staring en Potgieter, dichter bij literatuur bracht zij ons echter niet. Bewoners van de andere kant van de Gijsbrecht van Amstel als Betje Wolff, Frederik van Eeden en Jacob van Maerlant maakten evenmin diepzinnige indruk.

Degene die mij goed bij staat, is de surrealistische dichter en prozaïst Cees Buddingh. Zijn naam is door zijn Gorgelrijmen vooral verbonden aan nonsens-poëzie. Het enige gedicht dat ik, niet als enige, uit mijn hoofd leerde, was Buddingh’s Blauwbilgorgel.

Ik ben de blauwbilgorgel, ik ben de blauwbilgorgel,

Mijn vader was een porgel, mijn moeder was een porulan,

Daar komen vreemde kind’ren van.

Raban! Raban! Raban! 

Ik ben een blauwbilgorgel, ik lust alleen maar korgel,

Behalve als de nachtuil krijst, dan eet ik riep en rimmelrijst.

Rabijst! Rabijst! Rabijst!

Ik ben een blauwbilgorgel, als ik niet wok of worgel,

Dan lig ik languit in de zon, en knoester met mijn knezidon.

Rabon! Rabon! Rabon!

Ik ben een blauwbilgorgel, eens sterf ik aan de schorgel,

En schrompel als een kriks ineen, en word een blauwe kiezelsteen.

Ga heen! Ga heen! Ga heen!

Die laatste regel leidt mij linea recta terug naar mijn buren van toen. Ik herinner mij zelfs hun achternaam. Misschien verhuisden wij daarom naar de gelijkluidende Van Hogendorplaan, ons adres op de Heigalerij, waar op mijn boekenplankje nog altijd een serie jeugdboeken logeerde. Hoewel ik over het Slangenweggetje ook aan het veld van buurclub Olympia - witte broek, roodgroen shirt, onverklaarbare vloek van een combinatie - voorbij raasde, staat het boekwerkje ‘De jongens van Olympia’ me nog voor ogen. De inhoud is in mijn oude brein vergeeld, in tegenstelling tot de herinnering aan ‘Nou wij, boys”, van junior tot international, verhaal geschreven door Ton van Beers en ir. Ad van Emmenes. Of Ton familie was van Jan, Hein en Ferry - broertjes bij Victoria?! - is mij niet bekend. Hij schreef ‘Nou wij, boys’ onder invloed van de technische adviezen van de ingenieuze vader van Viola, die nooit bij Victoria kwam. Het boek is een klassieker, van de orde uit de pen van J. B. Schuil’s ‘De AFC’ers’. 

Het voorwoord in Van Beers’ boek ‘Nou wij, boys’ wijst op clubliefde, onderlinge vriendschap, sportiviteit, opofferingsgezindheid, kortom op alles wat jongens tot ware sportmakkers stempelt. Zoals dat in ons Victoria-juniorenelftal onder leiding van Fred Habold, Wout Appels en de heer Koppels ook van toepassing was. Terwijl in het verhaal over voetbalclub Quick toch ook de keerzijde aan bod komt. Het boek werd een succes. Het clublied ook, op de wijs van ‘Dat is de kleine man’, liedje van cabaretier Louis Davids, broer van Heintje, een van de grootste namen uit de vaderlandse kleinkunst. 

Dat is ons oude Quick, 

ons goeie, ouwe Quick.

Kom kerels, pak ’s stevig aan, 

dan winnen wij ‘m dik.

Stroop op je mouwen, hárder sjouwen, 

geef ‘m van katoen,

dan wordt ons ouwe, ons getrouwe

Quick weer kampioen.

Schrijver, schaker, wielrenner Tim Krabbé noemde het een onovertrefbaar jongensboek. Het klassieke verhaal ging over een juniorenelftal, dat in z’n geheel eerste elftal wordt en later zelfs Nederlands elftal. En dat uni-Oranje wint na een hopeloze achterstand van 3-0 met 4-3 van België. Het ‘juniorenelftal’ raakte echter incompleet door één invaller, een unieke Fries. De schrijver noemt hem Oene Friezema. Je beseft onmiddellijk dat dat Abe Lenstra moet zijn geweest, een van de grootste namen uit ons vaderlandse voetbal. 

Ús Abe uit Heerenveen werd door veel clubs begeerd, onder andere door Ajax en Inter. Het verhaal gaat dat Fiorentina hem een blanco cheque aanbood. De koppige Fries wilde ‘zijn’ Heerenveen echter niet verlaten (hoewel hij bij mijn weten in zijn nadagen nog voor SC Enschede uitkwam, net als voormalig Victoria-trainer Rinus Schaap).

Met ongeschoolde stem zong Abe over het aanbod uit Italië op een plaatje:

Ze stuurden me een blanco cheque, ik streek eens langs mijn kin

Want op een heel klein briefie stond: vul zelf die cheque maar in.

Toen zei m’n vrouw: “Hé, aarzel niet, vraag dan maar een miljoen!”.

Maar ik zei: “Nee zeg, ben je gek, stel voor dat ze het doen”.

(wordt vervolgd, onderweg naar oktober 2018)

2 Reacties

  1. R.Huguenin:
    12 maart 2018
    Prachtig verhaal
  2. Marijke:
    12 maart 2018
    Je aanloop gaat via omweg, zeg maar vele omwegen en wat laat je veel zien op al die 'paden'! IJzeren geheugenpaden....

Jouw reactie