Blij gemutst door het Baarnse bos

5 december 2014 - Baarn, Nederland

Misschien ga ik wandelen echt heel leuk vinden. Vanuit NS-station Baarn doe ik opnieuw een poging, samen met fietsvriendin E. Zij als gids flink doorstappend, ik als lijdzaam voorwerp volgend, beiden goed gemutst en handschoenen aan, sjaal om, want het is fris. Natuurlijk is E. goed voorbereid, ik verwacht niet anders van haar. Detailkaart van het gebied bij de hand, mueslibroodjes in de knapzak. Zelfs een paar reserve wandelschoenen bungelen mee. Voor haar is de route om de hoek, voor mij is het een wat langere treinreis terug in de tijd. Een kwart van mijn leven woonde ik in ’t Gooi, om precies te zijn in Hilversum en in Huizen. Baarn was en is voor mij onontgonnen gebied. Het enige dat ik mij herinner zijn SV Baarn, toen KNVB-tweedeklasser in naar ik meen lelijke geelblauwe shirts met witte broek, en het riante Baarnse bosbad, waarin ik met schoolvriendjes en tienermeisjes rondspartelde. Dat Paleis Soestdijk in de buurt lag, was mij ook bekend. Ons juniorenelftal speelde wel eens in Soest en dan reden we volgens mij bij Juul en haar gemaal voorlangs.

Een andere Oranje, prins Hendrik, bijgenaamd de Zeevaarder (1820-1879), was naast zakenman ook grootgrondbezitter. Rond 1870 stelde hij grond beschikbaar voor de aanleg van het spoor tussen Amsterdam en Amersfoort ten behoeve van het traject bij Baarn. Zijn voorwaarde luidde dat in Baarn een station moest komen en dat treinen er zouden stoppen. Buitenkans voor E. en mij. NS-station Baarn bestaat nog altijd en de trein stopt er ook. Wij kunnen zo van het perron over prinselijke gronden koninklijke bossen inlopen, zoals velen doen om Paleis Soestdijk te bezoeken. Wij volgen een ander pad, niet achter de meute aan, want rust en natuur genieten onze voorkeur, liefst zonder enige wandelconcurrentie en vooral zonder ‘huisvee’.

Het Baarnse Bos is ongeveer tachtig hectare groot, zeg 160 voetbalvelden. Als voetballer heb ik heel wat rondjes om een veld gelopen, maar nu? Ik ga onder leiding van E. mijn best doen, zonder op voorhand de afstand te weten. Tien kilometer? Vijftien? Sinds het einde van de 19e eeuw is dit bos voor publiek als wandelpark opengesteld, met een door Staatsbosbeheer uitgezette ‘Baarnse Boswandeling’. Ik volg E. over het pad, dat zij voor ons heeft uitgezet en -  bij tussenstops - op de kaart aanwijst. Zij kent het parcours goed. Dat blijkt onmiddellijk bij het station van aankomst, als ik aangeef een pitstop te moeten maken om een plas te plegen. Sans gêne gaat ze met mij het vlakbij het station gelegen eethuis-café ‘De Generaal’ binnen, waar we zonder consumptie te nuttigen allebei onze persoonlijk opgelegde plichtplegingen vervullen. E. wijst op de kaart vervolgmogelijkheden voor koffie- en plas-pit-stops aan. Ik weet dus waar ik aan toe ben en aan toe kom.

De Koninklijke wachtkamer in het Baarnse station laten we voor wat hij is. Hij is immers gesloten en van buiten gezien vind ik hem verre van bijzonder. Ik wil lekker wandelen door het bos met een rijke historie, in de door E. voorgestelde richting naar het NS-station in haar woonstee Bussum-Zuid. Dat moet te doen zijn, zowel qua tijdsduur als qua afstand. Net als in het Heiloo-er bos ontdek ik vrij snel een brede zichtlaan, aangelegd om bewoners van een kasteel of buitenhuis een weids uitzicht te geven. In de 17e en 18e eeuw schaften rijke Amsterdammers hier ook buitenplaatsen aan, waar zij zich tijdens de zomer verpoosden. Indrukwekkend zijn eeuwenoude eiken en beuken die hier en daar staan. Wat mij ook opvalt, is dat mensen hun hond hier mogen meenemen, maar dat zij hun troetel niet behoeven aan te lijnen. Op de bordjes staat aangegeven dat het dier wel goed onder appèl moet staan. Dat is dus binnen een kilometer direct mis. Nee, raak! Een onopvallend aangeslopen ‘duinkonijn’ springt geheel onverwacht tegen E. op. Zij schrikt zich een hoepeltje en roept naar de honderd meter achter ons lopende honden’mijnheer’, in lange beige camel jas, dat zij op dergelijke overdadige aandacht geen prijs stelt. Hondenbezitters voelen zich dan kennelijk persoonlijk in het nauw gedreven. Deze komt in rap tempo melden dat hij E.’s reactie maar flauwekul vindt. Dat gaat mij net even te ver. Ik was al blij dat zijn ‘chiwawa’, hoe heet zo’n mormel dat veel van een cavia weg heeft, niet met zijn blubberpootjes tegen mij opsprong. Ik word al moe steeds te moeten kijken waar mogelijke heerlijke hoopjes tussen de herfstbladeren liggen. Uiteraard om ze te ontwijken, die hoopjes. De op het eerste oog als gentleman uitziende man beoordeel ik als Baarnse ‘kakker’. Hij krijgt verbaal mijn volle laag toegediend, waarvan zelfs straat-, waak- of vechthonden geen brood zouden lusten.

Onze eerste koffie-pit-stop maken E. en ik bij ‘Hoeve Ravenstein’, midden in de Baarnse bossen, op landgoed Groeneveld gelegen. Sinds 1766 is deze hoeve onlosmakelijk met het landgoed verbonden. Hier runt ene familie Tupker een onderneming met biologische, glutenvrije streekgebonden producten en (h)eerlijk natuurvlees. Dertig jaar geleden begonnen de Tupkers bij wijze van hobby met het houden van Belgische witblauwe koeien. Nu is de voormalige koeienstal tot een moderne boerderijwinkel omgebouwd. Wij bestellen een kopje cappuccino, dat we ons op het overkapte boerderijterras in alle rust en in frisse biologische buitenlucht heerlijk laten smaken.

Even later arriveren wij op een voor E. nostalgische plek uit haar verleden. Al wapperen de vlaggen, kasteel Groeneveld vertoont zich in volle rust. Wij vinden dat heerlijk, gaan niet naar binnen, maar lopen om het statige bouwwerk heen. Staatsbosbeheer beheert dit landgoed, dat zo’n 130 hectare groot is. We kijken even in Groenevelds tuin, die in de Hollandse barokke stijl is aangelegd. Het kasteelpark kenmerkt zich door waterpartijen, heuvels, slingerende paden en boompartijen, die zijn aangelegd in de Engelse landschapsstijl van de 18e en 19e eeuw. In de ijskelder leven hier grootoorvleermuizen, maar waar is die?

We blijven stevig doorstappen, tijdige aankomst op station Bussum-Zuid voor mijn trein naar Amsterdam en verder moet makkelijk mogelijk zijn. Mooi is het, mooi blijft het, ook hier. E. verrast mij keer op keer. Zij huppelt een laag zandduin over. We staan opeens voor theehuis ’t Bluk, dat een vorige keer, toen wij op de fiets langs kwamen, nog gesloten was. Ik verwacht het niet, maar het blijkt nu geopend. Er zitten zelfs enkele mensen hun inwendige te strelen in een accommodatie, die een weldadige warmte uitstraalt. Dit betekent voor ons weer twee cappuccino’s en een bezoek aan het kleinste kamertje.

In de 19e en het begin van de 20e eeuw is Laren nog een dorp van boeren en wevers. De bevolking is zo arm, dat zij vaak geen brandstof kan betalen. Zelfs vrij goedkope turf is niet bereikbaar. De vrouwen gaan daarom in het bos hout sprokkelen, waar de mannen de bomen met hun bijl staan om te hakken. Om die bomen te kunnen vervoeren, hakken de mannen ze klein op een oude stronk, die als hakblok dient. Zo’n hakblok heet op z’n Larens ‘bluk’. Dichtbij dit gehakketak zet een kunstschilderes een houten keetje neer, eigenlijk als atelier bedoeld. Als bijverdienste schenkt zij wel eens een kopje koffie of glaasje limonade. Zo is theehuis ’t Bluk ontstaan, nog altijd een houten bouwwerk zonder fundament, maar met een diepe kelder om de dranken koel te houden. Geen waterleiding, wel een pomp, geen gas, wel een houtfornuis, geen elektra, wel petroleumlampen. In 1958 is het houten gebouwtje door een gefundeerd stenen theehuis vervangen. ’t Bluk krijgt geleidelijk aan comfort met (buta)gas, elektriciteit en waterleiding. Tot rampspoed daags voor kerstmis 2000 toeslaat en het theehuis volledig afbrandt. Op 10 oktober 2001 vindt echter de feestelijke heropening plaats van het nieuwe, nog mooiere ’t Bluk. Op donderdag 4 december 2014 hebben wij het hier aan de rand van het heideveld prima naar onze zin. Toch vervolgen we na een kwartiertje onze voetreis, die nog enige kilometers vergt.

Ik heb geen goed overzicht waar wij ons bevinden. E. wijst in de richting van haar woning in Bussum-Zuid, amper te zien achter de bomenrij. De Hilversumse televisietoren zie ik wel, al hangt er mist omheen. Bussum-Zuid heeft een bevoorrechte, gunstige ligging aan de rand van het Goois natuurreservaat. Nooit heb ik in mijn ‘Gooitijd’ deze heide verkend, nu laat ik hem op mij inwerken als een stille pracht, die stille kracht geeft. Vier uur wandelen vergt energie en doorbijten. Verrassend snel arriveren wij in E.’s woonwijk, hebben nog tijd voor een plaspauze en lopen dan naar mijn vertrekpunt om huiswaarts te keren, terwijl E. haar fiets ophaalt. Het spoorstation Bussum Zuid heeft een ruim parkeerterrein. Ernaast staat een Bastion-hotel en even verder – we zijn tijdig genoeg – wijst E. mij op de watertoren, die ik mij uit mijn jeugd herinner als het merkwaardige bouwwerk van Ir. Halbertsma uit 1897. Dit markantste gebouw van Bussum-Zuid stond er al toen de woonwijk nog niet bestond. De oorspronkelijke toren was 35 meter hoog, met een ontsierende mantel rond de kap. In 2009 is deze aluminium mantel verwijderd. Daarvoor in de plaats is een cilindervormige opbouw met geheel glazen wanden gekomen. Met dit nu dertig meter hoge herkenningspunt van Bussum-Zuid is een kantoorgebouw van drieduizend vierkante meter verbonden, dat als het duurzaamste kantoor van Nederland is neergezet. Helaas hebben wij geen tijd om hier een bezoek af te leggen, anders hadden we van een panoramisch uitzicht tot aan de Amsterdam Arena en de Utrechtse Dom kunnen genieten. Dan maar met de trein naar de hoofdstad, waar ik Erna op het Centraal Station hoop te treffen om haar over een heerlijke wandeling door Gooise dreven te vertellen. Een voorgerechtje voor ons bezoek aan Paleis Soestdijk tijdens de kerstdagen van dit jaar, 2014. Ik wil het voormalige lusthof van prins Willem III wel eens van binnen bekijken, opgebouwd uit een oorspronkelijk veel kleinere hofstede die hij in 1674 aankocht voor net geen 19.000 gulden. Tja, dat was 340 jaar geleden …

 

Maak je reisblog advertentievrij
Ontdek de voordelen van Reislogger Plus.
reislogger.nl/upgrade

Foto’s

1 Reactie

  1. Marijke:
    6 december 2014
    Vier uren stiefelen, toe maar! Kasteel Groeneveld roept herinnering op aan Nico [ overleden], en goede vriend van ons die het kasteel prachtig gerestaureerd heeft. Toen dat klaar was kregen we een rondleiding daar, nu alweer jaren geleden.
    Jij en E. hadden vandaag moeten wandelen: stukken heldere hemel!